Vijf Duitse soldaten van het kampje bij het Kuilven ontspannen op de kar van de Somerense voerman M. Jeuken. (Collectie Cees Verhagen)

Brood en melk brengen

vrijdag 28 juni 2019 - 11:30|

De Tweede Wereldoorlog woedde in de periode 1940-1944 ook in de Peel. Nu, 75 jaar later, staan we stil bij onze bevrijding. Een jaar lang blikken we in deze rubriek terug op de gebeurtenissen van toen. Van algemene verhalen tot persoonlijke herinneringen uit Asten, Someren, Deurne en omgeving. Vandaag aflevering 25: Brood en melk brengen. 

Het indrukwekkende verhaal over het onderduikerskamp in Lierop zal bij velen wel bekend zijn, dat was een permanent kamp. Hier verbleven de bewoners nagenoeg dag en nacht. Maar er waren ook personen die bij families in huis of boerderij ondergedoken zaten. Weer een andere groep onderduikers, meestal lokale mannen die de ‘Arbeitseinsatz’ wilden ontlopen, maakten een tijdelijk onderkomen in bijvoorbeeld de bossen. Over het verblijf van een vijftal jonge mannen van een klein kampje in de Staatsbossen in Someren – ongeveer waar nu Golfbaan de Swinkelsche ligt - is weinig bekend. Dit onderkomen werd niet permanent bewoond. Wanneer het rustig was, ging men tijdelijk naar huis en wanneer er gevaar dreigde, waren ze in ieder geval ’s nachts in hun kampje. Wanneer men daar langer moest verblijven werd de voedselvoorziening een probleem. Gelukkig bood de gemeenschap een helpende hand, al was dat bepaald niet zonder risico.

Anneke Rooijmans en haar broer Toon, dochter en zoon van caféhouder/bakker/winkelier Karel Rooijmans op Postel, moesten regelmatig brood gaan brengen bij hun broer Piet, die in dit kampje ondergedoken zat. Hij zat daar met enkele andere onderduikers, zoals Piet Rooijmans (van Jan Rooijmans), de broers Zegveld, Frans van de Mortel, en ene Van Kol en Meeuws. Bakker Karel Rooijmans had veel klanten in het buitengebied. Anneke en Toon brachten de bestellingen rond. Onderweg moesten zij niet alleen de klanten aandoen, maar ook het kleine kampje in de Staatsbossen. Ze mochten nooit dezelfde route nemen en moesten goed opletten of ze mogelijk door controleurs werden gevolgd. Was dat het geval, dan gingen ze enkel langs de vaste klanten. Maar was de kust veilig, dan werden het brood en eventuele andere zaken op een vaste plaats neergelegd. En om geen argwaan te wekken, moesten ze weer zo snel mogelijk met de ronde verder. Het was, zoals eerder vermeld, geen permanent kampje. De onderduikers waren, als het rustig was, ook veel thuis. Piet was schoenmaker en probeerde zoveel mogelijk zijn beroep bij te houden. Maar het bleef gevaarlijk. Als Piet naar het hutje in de bossen ging was moeder Betje weer gerustgesteld.

Tekst gaat verder onder de afbeelding


Twee keer per week werden per fiets broden bij het kampje bezorgd. Deze broden wogen maar liefst zestien ons.

Wanneer Anneke of Toon al vroeg hun brood bij het kampje in de bossen bezorgde, zagen ze op de plek waar ze hun brood neerlegden ook verse melk staan. Die melk kwam van de koeien van de familie Van den Boomen van de Kerkendijk.

De Van den Boomen’s hadden niet ver van het onderduikerskampje een weitje met een paar koeien. Zoon Toon van den Boomen stapte zoals gewoonlijk al vroeg op de transportfiets met twee melkbussen achterop om de koeien te gaan melken. Na het melken verstopte hij een of twee liter in een duiker of andere geschikte, koele plek. Wanneer op een afgesproken locatie een briefje in de lege gamel was achtergelaten, wist hij dat de onderduikers nieuwe melk nodig hadden.

In de lege melkbussen van zestig liter bracht Toon ook weleens broden naar het onderduikerskampje, die Karel Rooijmans bij de familie Van den Boomen op de Kerkendijk had gebracht. Dit gebeurde wanneer de onderduikers lang in het kamp moesten verblijven. Normaal werd er in Someren maar tweemaal per week brood bezorgd. Het zou te opvallend zijn als Anneke een derde keer op pad ging.

Dat Karel Rooijmans brood bezorgde bij Van den Boomen was wel vreemd, íedereen wist namelijk dat moeder Drieka van den Boomen-Verhees altijd zelf brood bakte. De buurvrouw kwam dan uit nieuwsgierigheid ‘effe kijken’ en had altijd iets nodig. Karel was op zijn qui-vive en zei: “Drieka, vier broden is wel genoeg voor die stevige eters van jou.” “Ja, ja, de rest bak ik zelf wel”, was dan het antwoord.

Tekst gaat verder onder de afbeelding


De Postel in de jaren 50, met rechts het café van Karel Rooijmans. Daarnaast was de bakkerij gevestigd. (Collectie Cees Verhagen)

Om bij zijn koeien te komen moest Toon van den Boomen altijd langs enkele Duitse houten barakken die achter de Kuilvenweg waren gebouwd. Op zijn route was het lastig fietsen over de sintelwegen. Op de zandwegen was het nog erger, hier hadden karren diepe sporen achtergelaten. Omdat hij op de Kuilvenweg een stukje moest lopen, zag hij op de weg een portefeuille met Duits opschrift liggen. De portefeuille met ‘Soldbuch’ moest wel van iemand uit het Duitse kampje zijn. Hij wilde deze afgeven aan de soldaat die daar op wacht stond, maar hij moest mee naar binnen. Hij werd naar de commandant gebracht die hem uitvoerig en hartelijk bedankte: “Ik kreeg zelfs schouderklopjes.” Sinds die tijd kenden de Duitse soldaten Toon en wanneer hij weer met lege en na het melken volle melkbussen passeerde, werd er vriendelijk naar elkaar gezwaaid.

Deze militairen zaten daar als onderdeel van de Duitse zoeklichtzones, de ‘Kammhuberlinie’, bedoeld om ’s nachts geallieerde vliegtuigen te spotten. Eenmaal verlicht konden deze vliegtuigen met behulp van luchtafweergeschut en nachtjagers uit de lucht worden geschoten. Vaak werd het bedieningspersoneel in de nabijheid van deze zoeklichten in barakken geplaatst. De soldaten die dienst hadden, vertoefden in de zogenaamde ‘Wehrmachthuisjes’. Het woord ‘huisje’ gaf aan dat ze niet mochten opvallen. Bij dit Duitse kampje langs de Kuilvenweg was dus ook een zoeklicht, waar ongeveer twintig soldaten waren gelegerd. Hier kwam pater Geboers (kapelaan in Someren-Heide) regelmatig op verzoek de heilige mis doen. Het is geen toeval dat het Wehrmachthuisje bij de Schietberg lag. Voor de oorlog was hier namelijk een schietbaan waar de Vrijwillige Burgerwacht oefende en schietwedstrijden hield.

Tekst gaat verder onder de afbeelding


Een ‘Soldbuch’ zoals Toon van den Boomen op straat vond.

Gewond
Niet alleen bakker Rooijmans zorgde voor brood voor het onderduikerskampje, ook veel andere bakkers deden mee en zorgden om beurten voor de levering van brood voor alle onderduikers in Someren. Het illegale graan werd door veel boeren achtergehouden, en ging vervolgens naar molenaar Tinus Berkers in de Postelstraat of naar molenaar Van Houts in de Kerkstraat. Dit illegale graan werd daar in het geheim gemalen en ging daarna naar ‘bevriende’ bakkers (en dat waren ze bijna allemaal).

Zonder risico was dit natuurlijk niet. Zo is Karel Rooijmans ooit door Duitse soldaten in zijn onderbeen geschoten. Hij was met illegaal graan op weg naar de ‘Berkersmolen’ in de Postelstraat die er meel van zou maken. Maar onderweg kwam hij een controlepost tegen die hem verzocht te stoppen. Hij stopte niet en fietste zo hard als hij kon door. Toen werd er op hem geschoten, hij had geluk dat ze hem niet dodelijk raakten. Hij wist te ontsnappen en fietste direct naar dr. Eijnatten, die hem behandelde en naar het ziekenhuis in Helmond bracht. Daar hebben ze de kogel niet kunnen verwijderen, deze is jaren later uit de wond gegroeid. Gevolg was wel dat Karel niet lang meer kon staan en dat is niet best voor een bakker. Hij kon zijn beroep niet meer uitoefenen, hierna stond Karel anders in het leven. Op 69-jarige leeftijd verongelukte hij langs het kanaal.

Tekst gaat verder onder de afbeelding


Karel Rooijmans. (Collectie Cees Verhagen)

Naast de bakkerij/ kruidenierswinkel had Karel een café, het was van oudsher bekend en had ‘unne goeie aanloop’. Het was naast café ook een herberg. Veel handelslui en arbeiders die in Someren een paar dagen of weken moesten werken, bleven er overnachten. Hier kwam wielerclub de Zwaluw bijeen, er was een handboogclub en de rijvereniging Hubertus had hier zijn ‘home’. Er was natuurlijk een biljartclub en in het café werd volop gekaart. Wanneer het even kon was er elk weekend livemuziek, drum, mondharmonica, trekzak en werd er gezongen. Tijdens de oorlog kwamen de vaste klanten, Duitsers en vreemd genoeg ook onderduikers (onder andere zelfs van het kamp uit Lierop).

Ook Karel moest zijn radio inleveren, hier had hij veel moeite mee omdat de platenspeler via deze radio werd afgespeeld. De oplossing was, dat uit de radio het ontvangstgedeelte werd gehaald en de gasten toch naar muziek konden luisteren. Bij de Duitse soldaten waren Zarah Leander en Ilse Werner zeer populair. Het meest populaire lied tijdens de oorlog, zowel bij de geallieerden als bij de Duitsers was het lied Lili Marlen, in Duitsland bekend geworden door Lale Anderson en bij de geallieerden bekend door Marlène Dietrich. Deze muziek werd volop gedraaid in het café van Karel.

Tekst gaat verder onder de afbeelding


De Kuilvenweg rond 1950. Links het oude pand van de familie Jeuken, rechts het melkhuisje van Leo van Heugten. De barakken van de Duitsers stonden rechtsachter bij de bosrand. (Collectie Cees Verhagen)

Een gewaarschuwd mens
Wanneer Hannus T. (een zogenaamde brood-NSB’er) iets wist, ging hij naar het café om te waarschuwen dat er een razzia op komst was. Hij trok dan de achterdeur open en riep, zonder dat ze hem zagen: “Ze komen vanavond weer.” Hierna stond iedereen weer ‘op scherp’. En er gebeurde ook iets bijzonders, de ordonnans van de Ortscommandant van Someren gaf weleens een briefje af in het café. Op dat briefje stond niets meer dan: ‘De wijn is zuur’, of: ‘Het brood is aangebrand’. Met behulp van dit briefje liet de ordonnans of wellicht zijn baas weten dat er iets stond te gebeuren. De onderduikers konden dan een veilig heenkomen zoeken en men bracht eventuele illegale spullen in veiligheid. Bij de verwachtte huiszoeking/razzia in het café vond men natuurlijk niets. Bij zo’n huiszoeking werden de familie Rooijmans en in het bijzonder zussen Cor en Nel onder druk gezet: “Waar is je broer?”, werd er dan gevraagd. Natuurlijk wisten de zussen van niets.

Gelukkig zijn de onderduikers nooit opgepakt. Een keer zijn ze, omdat ze dachten dat ze verraden waren, tijdelijk verhuisd naar een ander onderduikerskampje over het kanaal tussen Sluis 12 en 13. Maar ook daar bleven ze met succes onder de radar, en daarmee uit handen van de Duitsers.

Tags